TekstBlok

verwondering en bewondering


Een reactie plaatsen

Bijna

Dinsdag 18 december. 6.20 uur. Ik word wakker met een gevoel dat het vandaag weleens zou kunnen gebeuren. Sterker nog, volgens mij is het er echt een dag voor. Er hangt iets in de lucht. Ik trek mijn kleding aan en twijfel over het rokje. Zou dat wel passen? Na wat getrek blijkt het rokje flexibeler dan ik dacht en hou ik het aan. Moet kunnen.

Dinsdag 18 december. 11.35 uur. Mijn laptops heb ik eerder al neergezet op mijn tijdelijke werkplek. Mijn mail is al doorgewerkt en het interview van vandaag zit er al op. Ik loop langs het raam van de commandant die meteen begint te grijnzen. Als hij de deur open doet roept hij enthousiast: ‘hé daar heb je onze asielzoeker weer.’

Dinsdag 18 december. 12.05 uur. Met hun kerstpakket in de hand lopen drie beroeps achter mij langs. Op weg naar een lunch thuis. Ik bedenk me dat ik ook best trek heb en haak aan bij de commandant die naar boven loopt met zijn boterham. Hij een bekertje cup a soup, ik een bekertje water en we nemen plaats aan de kantinetafel. Op het nieuws een bericht over de brandweer en de tv gaat harder. Even opletten.

Dinsdag 18 december. 12.22 uur. Aan het item komen we niet toe. Om 12.22 uur klinken twee piepers. Mijn brood laat ik uit mijn hand vallen. Ik ben de enige zonder pieper en weet er nog twee vragen uit te gooien: wat is de melding en wie is de bevelvoerder? ‘Meting gevaarlijke stof en ik’, zijn de antwoorden van de commandant. Ik storm de trap af. Ren naar de pakken. Ruk de laarzen van mijn benen, prop mezelf in de schoenen en trek de jas aan. ‘Vergeet je helm niet, vergeet je helm niet’, klinkt er in mijn hoofd. De helm van het rek en ik sta al naast de auto als ik de commandant nog zijn jas zie aantrekken. ‘Mooi, ik ben tenminste op tijd’, denk ik. Ineens realiseer ik me dat ik mijn rits van mijn schoenen niet dicht heb gedaan en zoek ik naarstig naar mijn handschoenen. Na die snelle check duik ik de auto maar in. Ik zie de commandant/bevelvoerder zorgelijk kijken en vraag me ineens af of ik wel meemag als ‘asielzoeker’ naar een meting met gevaarlijke stof. De auto vult zich snel met vrijwilligers en enkele beroeps. Te snel voor mij, blijkt. ‘Je moet eruit, want ik heb er genoeg’, laat de commandant/bevelvoerder weten. En daar sta ik dan. Pak aan, helm op, adrenaline in mijn lijf. Maar niet in een brandweerauto, maar ernaast…

Ik was er bijna…

(wordt vervolgd… wat mij betreft)